Wachten op de
vismaaltijd.
Rebecca krijgt een kralensnoer omgeknoopt.
We besluiten die
avond in het dorp te gaan eten, maar dat is makkelijker gezegd dan
gedaan, want we
horen dat we dit `s middags al hadden moeten melden.
Uiteindelijk willen
ze dan toch wel een uitzondering maken voor ons.
We krijgen vis met
gebakken banaan voor 1,50 $ p.p. We gaan aan een grote tafel
op het strand
zitten en uiteindelijk komt een Kuna vrouwtje met de eerste bordjes aanlopen.
Nadat er 6 borden
op tafel staan roepen we: Falta 1 (er ontbreekt nog 1)! waarna ze schrikt.
Ze
loopt weg en komt even later terug met een leeg bord. “Iemand heeft een
stuk
vis teveel gehad”, zegt ze en vist prompt een stukje vis van Rebecca`s
bord,
die beteuterd toekijkt. Er worden nog een paar plakjes banaan bijgelegd
en
dat wordt dan Hans`bordje. Ze moet er zelf om giechelen en wij hebben er
ook
maar om gelachen en gelijk nog hier en daar wat geschoven met de vis,
zodat
iedereen toch nog een redelijke maaltijd had. Maar ja, wat wil je dan
ook
voor die prijs! Nadat Hans en Jos de volgende dag hebben ingeklaard
vertrekken
we de dag erop naar
Chichimé, het laatste eiland in de San Blas dat we aan zullen doen.
De kinderen zwemmen
hier nog lekker even en we gaan langs op 1 van de eilandjes, waar slechts 2
hutten staan.
We worden binnen
uitgenodigd, waar in een hangmat een meisje
met een pasgeboren baby zit, haar
jongste broertje. We vragen hoe hij heet,
maar hij heeft nog geen naam. De
vader vraagt aan Friso hoe hij heet, waarna
hij zegt: nou, dan noemen we hem
gewoon Friso. De moeder van de baby zit in
een andere hangmat. Het blijkt dat
ze ziek is. Naast haar op de grond staan
allemaal manden met houten beeldjes.
Ik vraag waar die voor zijn en krijg
dan te horen dat ze een medicijnman
hebben laten komen die 4 dagen lang 4
uur per dag voor haar gezongen heeft,
waarna de beeldjes tot leven komen en
haar beter maken. Vandaag was de
laatste dag geweest en ze voelde zich een
stuk beter. Het is heel bijzonder
om te horen hoe overtuigd de mensen hier
zijn van hun eigen leefwijze. We
ruilen hier nog een stel kinderkleertjes en
knuffels voor een houten bootje
voor Julia.
De volgende dag vertrekken we vroeg richting Isla Linton, waar we
in de loop
van de middag aankomen. We hebben een voorspoedige zeiltocht en
zeilen de
hele weg gezellig op met de Jomaro. De ankerplaats bij Isla Linton
is een
plaatje. Ineens zijn we in een hele andere vegetatie terecht
gekomen,
heuvelachtig en veel bananenbomen, palmbomen en andere tropische
bomen. Er
liggen veel boten, o.a. ook de Ladyhawk. Isla Linton wordt
ook wel het
apeneiland genoemd en hier hebben we geluk, want er zijn 3 apen
die bij het
aanlegsteigertje rondstruinen.

De apen
Hans en Jos herankeren de Ladyhawk
We brengen ze
bananen, waarna ze helemaal agressief worden. Eén ziet zelfs
kans in onze dinghy
te klimmen en vliegensvlug een banaan uit de tas te pakken!
We hadden al
gelezen dat ze nogal agressief kunnen worden en pas als Hans een hand opsteekt
deinst de aap terug.
Desondanks wel
hartstikke leuk, want apen hadden we nog niet gezien.
We besluiten hier een
extra dag te blijven en dat is maar goed ook, want op
de dag van vertrek
ontdekken we opeens dat de Ladyhawk weer van zijn anker
is geslagen en de
kapitein is niet aanwezig. Jos en Hans en nog een Fransman
racen er naar toe
en klimmen aan boord. Gelukkig zit de sleutel in de motor
en zo ankeren ze de
boot opnieuw. Later in de week vernemen we van andere
cruisers dat de
Ladyhawk ons via het net (een kanaal waarop iedereen elkaar in een
bepaald
gebied oproept) op de marifoon uitgebreid heeft bedankt.
Na Isla Linton gaan
we naar Portobelo. Dit is een dorpje met een rijke
geschiedenis. Het werd in
1502 door Columbus ontdekt en kreeg toen deze
naam: mooie haven. Gedurende
ca. 200 jaar, tot de 18e eeuw, was dit de
belangrijkste havenstad van
Centraal Amerika waar o.a. meer dan 1/3e van al
het goud en zilver in de
wereld doorheen ging. Er staan nog steeds ruines
van de stadsmuren en een
aantal forten en ook het oude douanegebouw staat er
nog. Verder is het wel
een wat vervallen dorpje.

Blue C in
Portobelo
Een kleurrijke bus, zoals er vele rijden
Toevallig bleek er
een Festival te zijn toen wij er waren: Diablos (duivels) & Congos
.
Het is een beetje
de tegenhanger van het Paasfeest, ontstaan toen de missionarissen op
nogal
agressieve wijze in het verleden de Afrikaanse slavenbevolking probeerden te
bekeren.
Een
duivel
Geschaafd ijs met siroop, lekker!
Overal liepen
verklede mensen met grote duivelsmaskers op.
Half Panama was
uitgelopen en ook de televisie maakte opnamen. Het was op
zich al leuk om al
die verschillende uitgedoste Afrikaanse Panamezen te
bekijken, babies die met
een hoofd vol haarspeltjes aan hun piekerige
haartjes rondgedragen werden
bijv. Overal stonden
eettentjes, het leek een
beetje op Koninginnedag in
Nederland.
Vanuit Portobelo zijn we na een paar dagen
vertrokken voor een tocht van ca
18 mijl naar Colon. Het was een indrukwekkende tocht doordat
we onderweg steeds meer grote vrachtschepen tegen kwamen.
Vlak voor de ingang
naar het Panamakanaal
Een straat in
Colon
Colon is een vieze
en vervallen havenstad waar het Panamakanaal begint.
Wij zijn hier in de
jachthaven gaan liggen om van hieruit meer van Panama te kunnen bekijken per
bus.
Daarover volgt meer
in een volgend stuk dat nog geschreven moet worden.